Het laatste nieuws
Het laatste nieuws
 
 

De volledige uitspraak

Vandaag is er door de Rechtbank Utrecht uitspraak gedaan in de bodemprocedure rondom het Yonex-sponsorcontract van Badminton Nederland.

Uitspraak
vonnis
RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton
Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 289895 / HA ZA 10-1563

Vonnis van 30 november 2011

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar vreemd recht
DUNLOP SLAZENGER INTERNATIONAL LTD.,
gevestigd te Shirebrook, Verenigd Koninkrijk,
2. [eiser sub 2],
handelende onder de naam Sportak en onder de naam RSL Nederland,
gevestigd te [vestigingsplaats],
3. [eiser sub 3],
wonende te [woonplaats],
4. [eiser sub 4],
wonende te [woonplaats],
5. [eiser sub 5],
wonende te [woonplaats],
6. [eiseres sub 6],
wonende te [woonplaats], Denemarken,
7. [eisers sub 7],
beiden wonende te [woonplaats],
in hoedanigheid van vertegenwoordigers van de minderjarige [minderjarige], wonende te [woonplaats],
eisers,
advocaten mr. J.J. Feenstra te Amsterdam en mr. H.T. ten Have te Amsterdam,

tegen

de vereniging
NEDERLANDSE BADMINTON BOND,
gevestigd te Nieuwegein,
gedaagde,
advocaat mr. H.J.A. Knijff te Amsterdam.


Partijen zullen hierna Dunlop c.s. (alle eisers), Dunlop (eiseres sub 1), RSL (eiser sub 2), [eiser sub 3] (eiser sub 3), [eiser sub 4] (eiser sub 4), [eiser sub 5] (eiser sub 5), [eiseres sub 6] (eiseres sub 6), [eisers sub 7] ([minderjarige]; de materiële procespartij die door eisers sub 7 wordt vertegenwoordigd), De Spelers (eisers sub 2 t/m 6 en [eisers sub 7]) en NBB (gedaagde) worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
- akte houdende uitlating en overlegging producties zijdens Dunlop c.s.
- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. NBB heeft volgens zijn statuten als doel de badmintonsport te bevorderen en geeft leiding aan de badmintonsport in Nederland. NBB bepaalt welke spelers worden toegelaten tot de (Nederlandse) nationale selecties van de badmintonsport (hierna in enkelvoud: de nationale selectie). De Spelers zijn lid van NBB en in die hoedanigheid in beginsel gebonden aan de statuten en het beleid van NBB.

2.2. Dunlop produceert badmintonrackets met de merknaam Carlton. Dunlop heeft met topspelers, onder wie [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5], een individuele sponsorovereenkomst gesloten. De overeenkomst met [eiser sub 3] loopt vanaf juli 2008 tot juli 2013, die met [eiser sub 4] vanaf januari 2009 tot januari 2013 en die met [eiser sub 5] vanaf januari 2010 tot januari 2013. [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] hebben tot 1 januari 2010 jarenlang tot de nationale selectie behoord.

2.3. RSL produceert badmintonrackets met de merknaam RSL. RSL heeft [A] (hierna: [A]), een opkomende topspeler, een individuele sponsorovereenkomst gesloten. De overeenkomst van [A] liep vanaf 1 augustus 2008 tot augustus 2010.

2.4. [eiseres sub 6], een topspeelster, heeft een individuele sponsorovereenkomst gesloten met de producent van artikelen met de merknaam Forza. Die overeenkomst loopt vanaf oktober 2006 tot april 2013. Ook [eiseres sub 6] heeft tot 1 januari 2010 jarenlang tot de nationale selectie behoord.

2.5. [eisers sub 7], een getalenteerde speelster van 15 jaar, heeft een individuele sponsorovereenkomst met Dunlop Slazenger Benelux, een onderdeel van Dunlop, gesloten. Die overeenkomst liep vanaf april 2008 tot april 2011.

2.6. De Spelers zijn op grond van hun sponsorovereenkomsten onder meer verplicht om in zowel teamtoernooien als individuele toernooien badmintonrackets, schoenen en tas (hierna ook aan te duiden onder de verzamelterm: materiaal) van hun eigen sponsors te gebruiken.

2.7. De spelers van de nationale selectie, onder wie (tot 1 januari 2010) de Spelers, gebruikten tot 1 januari 2010 op landenteamtoernooien kleding van de sponsor van NBB en materiaal van de individuele sponsor en bij individuele internationale toernooien zowel kleding als materiaal van de individuele sponsor. De seniorspelers van de nationale selectie nemen elk jaar deel aan een of twee landenteamtoernooien en ongeveer vijftien individuele internationale toernooien. De juniorspelers van de nationale selectie nemen elk jaar deel aan een landenteamtoernooi en ongeveer vijf individuele internationale toernooien. NBB vergoedt bij alle internationale toernooien de reis- en verblijfkosten van de spelers van de nationale selectie.

2.8. NBB heeft ter bevordering van de badmintonsport in Nederland twee beleidsplannen opgesteld die van ambitie getuigen, het Algemeen Beleidspan 2009-2012 en het Beleidsplan Topbadminton 2009-2012. De begroting voor het jaar 2010 van NBB vertoonde, mede in verband met die beleidsplannen, een tekort van € 100.000,00.

2.9. NBB en de Japanse onderneming Yonex Company Limited (hierna: Yonex) hebben op 20 december 2009 een sponsorovereenkomst gesloten voor de duur van zeven jaar (hierna: de Sponsorovereenkomst). De Sponsorovereenkomst loopt vanaf 1 januari 2010. Artikel 3 van de Sponsorovereenkomst verplicht NBB, samengevat, om de spelers van de nationale selectie alle trainingen en wedstrijden, met uitzondering van de wedstrijden voor de nationale competitie en de nationale beker, uitsluitend met kleding en materiaal van Yonex te laten spelen. De waarde van de door Yonex aan NBB in geld en in nature te vergoeden sponsorbijdrage over de gehele looptijd van de Sponsorovereenkomst bedraagt ongeveer € 3,2 miljoen.

2.10. NBB heeft in verband met de uitvoering van zijn verplichtingen uit de Sponsorovereenkomst vanaf 1 januari 2010 het beleid gevoerd dat elke speler die deel wil uitmaken van de nationale selectie en aan de sportieve selectiecriteria daarvoor voldoet met NBB een zogenoemd spelerscontract sluit (hierna: het spelerscontract). De speler verklaart bij het spelerscontract op toernooien en trainingen van de nationale selectie uitsluitend gebruik te maken van kleding en materiaal van Yonex. In het geval een speler het spelerscontract niet sluit en dus die verklaring niet geeft, dan heeft dat voor die speler tot gevolg dat:
- NBB de speler niet selecteert voor de nationale selectie,
- NBB de speler niet laat deelnemen aan landenteamtoernooien,
- NBB de reis- en verblijfkosten van de speler in verband met individuele internationale toernooien niet vergoedt (met uitzondering van de reis- en verblijfkosten van de speler in verband met individuele internationale kampioenschappen, de EK en de WK, die NBB tot maximaal 70% vergoedt),
- NBB de speler niet toestaat op individuele internationale toernooien met badmintonrackets van de individuele sponsor te spelen,
- NBB de speler niet toestaat om op individuele internationale toernooien dubbel of gemengd te spelen met een speler van de nationale selectie,
- NBB de speler niet toestaat deel te nemen aan bondstrainingen.

2.11. De Spelers hebben geen spelerscontract met NBB gesloten. Veertien spelers die een individuele sponsorovereenkomst met Dunlop hadden gesloten, hebben het spelerscontract wel getekend.

2.12. Dunlop, [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiseres sub 6] hebben in kort geding bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank samengevat gevorderd NBB te veroordelen de Spelers niet te beperken in de nakoming van hun verplichtingen uit (toekomstige) individuele sponsorovereenkomsten, de Spelers (zonder negatieve gevolgen) vrij te laten in hun keuze van kleding en materiaal op toernooien en de Spelers niet anders te behandelen dan spelers die met materiaal van Yonex spelen, en Yonex te veroordelen dit te gehengen en te gedogen. Die vorderingen zijn bij vonnis van 10 maart 2010 afgewezen.

2.13. NBB heeft nadien in afwijking van zijn beleid besloten dat alle spelers met een individuele sponsorovereenkomst die aan de sportieve selectiecriteria voor de nationale selectie voldoen, onder wie de Spelers, toch met badmintonrackets van hun eigen sponsor mogen deelnemen aan individuele internationale toernooien en (op verzoek) aan bondstrainingen. NBB heeft daarbij bepaald dat (de individuele sponsors van) die spelers wel zelf de reis- en verblijfkosten in verband met de individuele internationale toernooien moeten blijven voldoen.

2.14. NBB heeft daarna, zo is ter gelegenheid van het pleidooi gebleken, voorts in afwijking van zijn eerdere beleid toegestaan dat de spelers met een individuele sponsorovereenkomst die aan de sportieve selectiecriteria voor de nationale selectie voldoen, ook aan landenteamtoernooien mogen deelnemen met het badmintonracket van hun eigen sponsor, mits dat racket neutraal is, dat wil zeggen op de besnaring geen te promoten logo van die sponsor toont.

3. Het geschil

3.1. Dunlop c.s. vordert, samengevat, zo begrijpt de rechtbank:

I.
primair
? NBB te verbieden om de Sponsorovereenkomst uit te voeren,

subsidiair
? NBB te veroordelen om de Spelers zonder enig sportief of financieel gevolg vrij te laten individuele sponsorovereenkomsten uit te voeren,
? NBB te verbieden om de Spelers anders te behandelen dan spelers die met materiaal van Yonex spelen,

meer subsidiair
? NBB te veroordelen om de Spelers zonder enig sportief of financieel gevolg vrij te laten individuele sponsorovereenkomsten uit te voeren die vóór 1 januari 2010 zijn gesloten,
? NBB te verbieden om de Spelers anders te behandelen dan spelers die met materiaal van Yonex spelen,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom,

II.
? NBB te veroordelen om aan de Spelers de schade te vergoeden die zij hebben geleden doordat NBB niet langer reis- en verblijfkosten in verband met individuele internationale toernooien aan de Spelers (volledig) vergoedt,
? NBB te veroordelen om aan Dunlop te vergoeden de schade tot een bedrag van € 148.230,00, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, die zij heeft geleden doordat NBB spelers heeft aangezet tot het plegen van wanprestatie,
? NBB te veroordelen om aan RSL te vergoeden de schade tot een bedrag van € 15.000,00, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, die zij heeft geleden doordat NBB spelers heeft aangezet tot het plegen van wanprestatie,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom,

III.
? NBB te veroordelen om aan Dunlop en RSL te vergoeden de omzetschade die zij hebben geleden en zullen lijden doordat NBB de Spelers heeft aangezet en aanzet tot het plegen van wanprestatie, op te maken bij staat, en

IV.
? NBB te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. NBB voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit geschil hoofdzakelijk (nog) om het antwoord op de vraag of NBB ter uitvoering van zijn verplichtingen uit de Sponsorovereenkomst de Spelers mag verplichten om op landenteamtoernooien te spelen met een neutraal badmintonracket in plaats van met een badmintonracket met een logo van de individuele sponsor.

Mededinging (artikel 6 Mw / artikel 101 VWEU)
4.2. Dunlop c.s. stelt dat de Sponsorovereenkomst van rechtswege nietig is, omdat deze de mededinging beperkt op de Nederlandse markt voor badmintonrackets. Volgens Dunlop c.s. hebben andere producenten van badmintonrackets dan Yonex door de Sponsorovereenkomst geen of onvoldoende reële promotiemogelijkheden meer op die markt.

4.3. Dunlop c.s. beroept zich in dit kader op zowel artikel 6 van de Mededingingswet (Mw) als op artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De rechtbank moet artikel 101 VWEU toepassen in het geval de Sponsorovereenkomst de handel tussen lidstaten van de Europese Unie ongunstig kan beïnvloeden. Dunlop c.s. draagt daarvan de bewijslast.

4.4. Dunlop c.s. stelt bij dagvaarding dat de Sponsorovereenkomst een interstatelijk effect bewerkstelligt, maar heeft deze stelling niet voldoende onderbouwd. Het door Dunlop c.s. gestelde feit dat de Sponsorovereenkomst ongunstige gevolgen heeft voor het optreden van de Spelers in Europa betekent (zo al juist) nog niet dat in dit kader van een interstatelijk effect kan worden uitgegaan. Het kader wordt immers gevormd door de door Dunlop c.s. gestelde relevante markt, de Nederlandse markt voor badmintonrackets. Dunlop c.s. heeft niet gesteld dat de Sponsorovereenkomst op die markt grensoverschrijdende ongunstige gevolgen heeft. De rechtbank zal de Sponsorovereenkomst daarom aan artikel 6 Mw toetsen.

4.5. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 6 Mw blijkt evenwel dat dit artikel niet beoogt inhoudelijk strenger of soepeler te zijn dan artikel 101 VWEU. Artikel 6 Mw moet dan ook op vergelijkbare wijze worden uitgelegd en toegepast als artikel 101 VWEU. Om die reden zijn de regelgeving en de rechtspraak in het kader van artikel 101 VWEU ook van belang bij toepassing van artikel 6 Mw. De rechtbank verwijst hierna daarom waar nodig mogelijk ook naar regelgeving van de EG / EU en naar arresten van het Hof van Justitie van de EG / EU.

4.6. Artikel 6 lid 1 Mw verbiedt overeenkomsten tussen ondernemingen die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Op grond van artikel 6 lid 1 Mw verboden overeenkomsten zijn op grond van artikel 6 lid 2 Mw van rechtswege nietig. De partij die stelt dat sprake is van een verboden overeenkomst in de zin van artikel 6 lid 1 Mw draagt daarvan de bewijslast.

4.7. Dunlop c.s. stelt dat de Sponsorovereenkomst ertoe strekt (tot doel heeft) de mededinging te beperken.

4.8. De rechtbank volgt deze stelling niet. Volgens vaste rechtspraak moet bij de beoordeling of een overeenkomst tot doel heeft de mededinging te beperken met name worden gelet op de bewoordingen en de oogmerken van de overeenkomst alsmede op de economische en juridische context daarvan (zie bijv. HvJ 4 oktober 2011, Premier League, C 403/08 en C-429//08, r.o. 136). Uit de tekst van de Sponsorovereenkomst als zodanig blijkt niet dat de Sponsorovereenkomst tot doel heeft de mededinging te beperken. Het enkele feit dat uit de Sponsorovereenkomst volgt dat Yonex bij een nationale bond exclusieve promotiemogelijkheden voor haar merk heeft verworven, betekent, anders dan Dunlop c.s. meent, nog niet dat de Sponsorovereenkomst tot doel heeft de mededinging te beperken. Exclusieve promotiemogelijkheden zijn op zichzelf namelijk niet in strijd met het verbod op beperking van de mededinging. Dunlop c.s. heeft verder haar stelling dat Yonex en NBB bij het sluiten van de Sponsorovereenkomst het oogmerk hebben gehad om de mededinging te beperken onvoldoende onderbouwd.

4.9. Dunlop c.s. stelt dat de Sponsorovereenkomst van rechtswege nietig is, omdat deze ten gevolge heeft (tot gevolg heeft) dat de mededinging wordt beperkt op de Nederlandse markt voor badmintonrackets.

4.10. NBB betwist dat die markt de relevante markt is. De productmarkt kan, aldus NBB, evengoed bijvoorbeeld de markt voor sportartikelen, de markt voor racketsport of de markt voor badmintonartikelen zijn. NBB wijst erop dat Dunlop c.s. heeft nagelaten een uitvoerig marktonderzoek te (laten) verrichten waaruit blijkt dat substitutie aan de vraag- en/of de aanbodzijde niet mogelijk is. Verder valt volgens NBB genoeg te zeggen voor een geografische markt met een andere (grotere) omvang dan het grondgebied van Nederland.

4.11. Een relevante productmarkt bevat alle producten en/of diensten die op grond van hun kenmerken, hun prijzen en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd, door de consumenten als onderling verwisselbaar of substitueerbaar worden beschouwd. De relevante geografische markt is het gebied waarbinnen de betrokken ondernemingen een rol spelen in de vraag naar en het aanbod van die producten en/of diensten en waarbinnen de concurrentievoorwaarden voldoende homogeen zijn, welk gebied van aangrenzende gebieden kan worden onderscheiden doordat daar duidelijk andere concurrentievoorwaarden heersen. Het had, zeker in het licht van het verweer van NBB, op de weg van Dunlop c.s. gelegen om nader te onderbouwen waarom de Nederlandse markt voor badmintonrackets in dit geval aan de hiervoor genoemde, in de rechtspraak aanvaarde definities voldoet. Dunlop c.s. heeft dat echter niet gedaan. De stelling van Dunlop c.s. dat de Sponsorovereenkomst van rechtswege nietig is, omdat deze tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt op de Nederlandse markt voor badmintonrackets, moet al om deze reden worden verworpen.

4.12. Maar ook al zou ervan uit kunnen worden gegaan dat in dit geval de relevante markt de Nederlandse markt voor badmintonrackets is, dan nog heeft Dunlop c.s. haar stelling dat de Sponsorovereenkomst nietig is, omdat deze tot gevolg heeft dat de mededinging op die markt wordt beperkt, onvoldoende onderbouwd. Volgens vaste rechtspraak vergt de vaststelling dat een overeenkomst tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt een feitelijk onderzoek in de vorm van een marktanalyse, waaraan hoge eisen worden gesteld (zie bijv. HR 3 december 2004, NJ 2005, 118, r.o. 3.7.2.). Dunlop c.s. heeft haar stelling dat de Sponsorovereenkomst de mededinging beperkt niet voorzien van een marktanalyse en ook daarom kan niet worden geoordeeld dat deze overeenkomst nietig is. De stelling van Dunlop c.s. wordt overigens in ieder geval niet ondersteund door de door Dunlop c.s. overgelegde productie met betrekking tot verkoopcijfers van haar merk Carlton in 2009 en 2010. Weliswaar blijkt uit die verkoopcijfers dat de verkoopvolumes van het derde kwartaal van 2010 respectievelijk het vierde kwartaal van 2010 minder zijn dan de verkoopvolumes van het derde kwartaal van 2009 respectievelijk het vierde kwartaal van 2009, maar ontbreekt ieder bewijs van een causaal verband tussen die afname en de Sponsorovereenkomst.

4.13. Verder volgt, anders dan Dunlop c.s. meent, uit het door haar gestelde feit dat Yonex een marktaandeel heeft van meer dan 15% in Nederland (zo al juist) niet dat daarom op grond van de zogenoemde De minimisbekendmaking van de Europese Commissie (Publicatieblad EG, nr. C 368 van 22 december 2001, blz. 0013-0015; hierna: De minimisbekendmaking) vanuit kan worden gegaan dat de mededinging op de Nederlandse markt voor badmintonrackets merkbaar is beperkt. Uit de De minimisbekendmaking blijkt dat de Europese Commissie van mening is dat overeenkomsten tussen ondernemingen die geen daadwerkelijke of potentiële concurrenten zijn, de mededinging niet merkbaar beperken indien geen van die ondernemingen op de relevante markt een marktaandeel heeft van meer dan 15%. Daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat indien een partij bij een overeenkomst tussen ondernemingen die geen daadwerkelijke of potentiële concurrenten zijn een marktaandeel heeft van meer dan 15%, de mededinging op de relevante markt wel merkbaar wordt beperkt.

4.14. Ook brengt de stelling van Dunlop c.s. dat Yonex met de Sponsorovereenkomst het belangrijkste podium heeft om badmintonrackets in Nederland te promoten (zo al juist) nog niet mee dat dit tot gevolg heeft dat de mededinging op de Nederlandse markt voor badmintonrackets wordt beperkt. Dit zou anders kunnen zijn indien de overige marktpartijen geen reële promotiemogelijkheden meer zouden hebben. Daarvan is echter niet gebleken. Ook al zou het zo zijn, zoals Dunlop c.s. in dit verband stelt, dat succesvolle promotie alleen kan plaatsvinden via topspelers die wedstrijden winnen en op die manier een merk promoten, dan nog valt zonder deugdelijke toelichting, die niet is gegeven, niet in te zien waarom Dunlop en RSL geen reële mogelijkheden meer zouden hebben om in de toekomst individuele sponsorovereenkomsten met topspelers te sluiten. Het enkele feit dat die topspelers een of twee keer per jaar tijdens landenteamtoernooien met een neutraal badmintonracket moeten spelen, doet hier niet aan af. Er zijn immers daarnaast nog vele andere wedstrijden en toernooien die met een badmintonracket met het logo van de individuele sponsor kunnen worden gespeeld. NBB heeft verder onbetwist gesteld dat in ruime mate andere promotiemogelijkheden, zoals sponsoring van eredivisieclubs, bekertoernooien en opleidingsacademies, voorhanden zijn.

Mededinging (artikel 24 Mw)
4.15. Dunlop c.s. stelt verder dat NBB een dominante positie inneemt op de markt en daarvan jegens de Spelers en jegens Dunlop en RSL misbruik maakt. Het misbruik blijkt volgens Dunlop c.s. (nog) uit het feit dat de Spelers op landenteamtoernooien met een neutraal racket moeten spelen, waardoor het merk van hun individuele sponsor niet kan worden gepromoot, uit het feit dat de Spelers op een toernooi niet dubbel of gemengd mogen spelen met een lid van de nationale selectie en uit het feit dat NBB reis- en verblijfkosten van de Spelers in verband met individuele internationale toernooien niet (volledig) vergoedt. Dunlop c.s. beroept zich in dit kader uitsluitend op artikel 24 Mw.

4.16. Artikel 24 Mw verbiedt ondernemingen misbruik te maken van een economische machtspositie. Artikel 1 sub i Mw definieert een economische machtspositie als de positie van een of meer ondernemingen die hen in staat stelt de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan te verhinderen door hun de mogelijkheid te geven zich in belangrijke mate onafhankelijk van hun concurrenten, hun leveranciers, hun afnemers of de eindgebruikers te gedragen. De partij die stelt dat sprake is van een economische machtspositie draagt daarvan de bewijslast.

4.17. Dunlop c.s. noemt bij haar beroep op artikel 24 Mw, naar de rechtbank begrijpt, de
Nederlandse markt voor het selecteren van nationale teams (nr. 135 dagvaarding, nr. 91 repliek), de Nederlandse markt voor het inschrijven van spelers voor individuele internationale toernooien (nr. 91 en nr. 96 repliek), de Nederlandse markt voor het organiseren van wedstrijden en toernooien (nr. 135 dagvaarding, nr. 91 repliek), de Nederlandse markt voor het promoten van badmintonartikelen (nr. 96 en nr. 97 repliek) en de Nederlandse markt voor badmintonrackets (nr. 99 repliek). Los van het antwoord op de vraag of de activiteiten van NBB op al die markten relevant in de zin van artikel 24 Mw (kunnen) zijn, ook in geval van een beroep op artikel 24 Mw moet(en) de relevante markt(en) worden bepaald, waarbij een precieze afbakening van die markten noodzakelijk is. Dunlop c.s. heeft echter, mede in het licht van het verweer van NBB, onvoldoende onderbouwd dat de genoemde markten als relevante markten kunnen worden aangemerkt noch heeft zij die markten voldoende (precies) afgebakend. De stelling van Dunlop c.s. dat NBB misbruik maakt van een economische machtspositie moet al om die reden worden verworpen.

Vrij verkeer van diensten
4.18. Dunlop c.s. stelt dat het door NBB aan de Spelers opgelegde verbod om aan landenteamtoernooien deel te nemen met een badmintonracket met het logo van het te promoten merk van hun eigen sponsor een beperking is op het vrij verrichten van diensten in de zin van artikel 56 VWEU.

4.19. Ingevolge artikel 56 VWEU zijn beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Europese Unie verboden ten aanzien van de onderdanen van de lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die waarin degene is gevestigd voor wie de dienst wordt verricht. Dit artikel richt zich niet alleen tot overheidsorganisaties, maar ook tot andere organisaties die algemene regels stellen voor het verrichten van bepaalde diensten (zie bijv. HvJ 11 april 2000, Deliège, C-51/96 en C-191/97, r.o. 47; HvJ 18 juli 2006, Meca Medina, C-519/04 P, r.o. 24).

4.20. NBB heeft een algemene regel gesteld voor het verrichten van bepaalde diensten, namelijk spelers verboden om aan landenteamtoernooien deel te nemen met een badmintonracket met het logo van het te promoten merk van een individuele sponsor. Die landenteamtoernooien vinden niet alleen in Nederland, maar ook in andere lidstaten van de Europese Unie plaats.

4.21. Dit brengt echter nog niet mee dat de Spelers, degenen die de diensten verrichten, zich met succes op artikel 56 VWEU kunnen beroepen. Artikel 56 VWEU strekt volgens het Hof van Justitie tot opheffing van iedere discriminatie van een dienstverrichter op grond van de nationaliteit van de dienstverrichter of op grond van de omstandigheid dat de dienstverrichter in een andere lidstaat woont dan de lidstaat waar de dienst wordt verricht (zie bijv. HvJ 3 december 1974, Van Binsbergen, 33/74, r.o. 27). Dunlop c.s. heeft niet gesteld dat NBB de Spelers op grond van nationaliteit of woonplaats discrimineert. Zowel de Spelers als de leden van de nationale selectie hebben de Nederlandse nationaliteit en kunnen, indien zij zich in sportief opzicht kwalificeren, aan landenteamtoernooien deelnemen, ongeacht in welke lidstaat zij wonen.

4.22. Verder strekt artikel 56 VWEU volgens het Hof van Justitie tot opheffing van iedere beperking die de werkzaamheden van de dienstverrichter, die in een andere lidstaat is gevestigd en aldaar rechtmatig gelijksoortige diensten verricht, verbiedt of anderszins belemmert (zie bijv. HvJ 25 juli 1991, Saeger, C-76/90, r.o. 12). Het Hof van Justitie acht in zijn algemeenheid nationale regelingen die de toegang tot de markt belemmeren voor dienstverrichters van andere lidstaten in strijd met het vrije dienstenverkeer (zie bijv. HvJ 28 april 2009, Commissie vs Italië, C-518/06, r.o. 64).

4.23. Het beleid van NBB leidt er evenwel niet toe dat het verrichten van diensten (het deelnemen aan landenteamtoernooien) in de ene lidstaat moeilijker wordt dan het verrichten van diensten in een andere lidstaat. Het door NBB aan alle spelers opgelegde verbod om deel te nemen met een badmintonracket met het logo van het te promoten merk van de individuele sponsor geldt immers voor elk landenteamtoernooi, ongeacht in welke lidstaat dat toernooi wordt gespeeld. De Spelers komt dan ook geen beroep op artikel 56 VWEU toe.

Vrijheid van materiaalkeuze
4.24. Dunlop c.s. stelt dat NBB onrechtmatig jegens de Spelers en andere (toekomstige) topspelers handelt, omdat volgens Dunlop c.s. de Sponsorovereenkomst tot gevolg heeft dat (toekomstige) topspelers niet meer vrij zijn de voor hun topprestaties benodigde badmintonracket te kiezen.

4.25. De rechtbank volgt deze stelling niet. Dunlop c.s. heeft haar stelling dat er, daargelaten de (wijze van) besnaring, relevante verschillen zijn tussen de (top)badmintonrackets van topmerken, onvoldoende toegelicht. De rechtbank gaat er dan ook met NBB vanuit dat de keuze voor een badmintonracket door een topspeler niet zozeer in belangrijke mate wordt bepaald door merkgerelateerde unieke eigenschappen van dat racket, maar eerder door de keuze van de topspeler voor een sponsor die de topspeler (ook) van badmintonrackets voorziet, met op de besnaring het logo van het te promoten merk.

4.26. Verder heeft NBB ter gelegenheid van het pleidooi meegedeeld dat alle spelers met een individuele sponsorovereenkomst die aan de sportieve selectiecriteria voldoen ook aan landenteamtoernooien kunnen deelnemen met het badmintonracket van hun eigen sponsor (mits neutraal). Deze laatste versoepeling van het beleid van NBB betekent dat nu bij alle wedstrijden en toernooien met een eigen badmintonracket mag worden gespeeld. De Spelers zijn nu dus vrij in hun materiaalkeuze.

Vrijheid om populariteit te verzilveren
4.27. Dunlop c.s. stelt dat NBB onrechtmatig jegens de Spelers handelt, omdat volgens Dunlop c.s. de Sponsorovereenkomst inbreuk maakt op het recht van de Spelers om hun populariteit te verzilveren.

4.28. De rechtbank volgt deze stelling niet. Het beleid van NBB bracht aanvankelijk onder meer mee dat de Spelers niet mochten deelnemen aan de landenteamtoernooien en op de individuele internationale toernooien niet mochten spelen met badmintonrackets (met het te promoten logo) van de eigen sponsor. NBB heeft dit beleid versoepeld. De Spelers worden nu op individuele internationale toernooien, waar het gaat om het promoten van een merk van de individuele sponsor, niet meer beperkt.

4.29. Verder mogen de Spelers nu deelnemen aan de landenteamtoernooien, zij het met een neutraal badmintonracket. Het enkele feit dat NBB de Spelers op een of twee per jaar plaatsvindende landenteamtoernooien niet toestaat om te spelen met badmintonrackets met het te promoten logo van de individuele sponsor, betekent niet zonder meer dat NBB inbreuk maakt op het recht van de Spelers om hun populariteit te verzilveren. Het had op de weg van Dunlop c.s. gelegen om gemotiveerd te stellen welke concrete financiële gevolgen dit feit voor de Spelers heeft of zal hebben. Dunlop c.s. heeft dat echter niet gedaan. Dunlop c.s. heeft alleen in algemene zin gesteld dat door dit feit de positie van de Spelers om met hun individuele sponsors te onderhandelen is verzwakt, maar heeft dit niet verder toegelicht. Niet is gebleken dat die sponsors (of andere sponsors) in de toekomst niet of tegen lagere sponsorbijdragen bereid zullen zijn nieuwe individuele sponsorovereenkomsten met de Spelers te sluiten doordat hun merk op de landenteamtoernooien niet meer door middel van de badmintonrackets van de Spelers kan worden gepromoot.

Aanzetten tot wanprestatie
4.30. Dunlop c.s. stelt dat NBB onrechtmatig jegens Dunlop, RSL en de Spelers heeft gehandeld en nog steeds handelt, omdat NBB topspelers, onder wie de Spelers, tot het plegen van wanprestatie heeft aangezet en nog steeds aanzet.

4.31. De rechtbank stelt voorop dat NBB op zichzelf genomen een gerechtvaardigd belang heeft bij het sluiten van de Sponsorovereenkomst. De relatief hoge sponsorbijdragen van Yonex bieden, zoals NBB uitvoerig heeft toegelicht, gedurende langere tijd grote mogelijkheden voor de verdere ontwikkeling van de Nederlandse (top)badmintonsport. Het belang van NBB en in algemene zin van de Nederlandse badmintonsport bij de Sponsorovereenkomst brengt echter nog niet mee dat ook het handelen van NBB dat verband houdt met de uitvoering van de Sponsorovereenkomst onder alle omstandigheden kan worden gerechtvaardigd.

4.32. NBB heeft de Sponsorovereenkomst gesloten in de wetenschap dat een aantal topspelers reeds was gebonden aan individuele sponsorovereenkomsten. NBB heeft in de periode voorafgaand aan het sluiten van de Sponsorovereenkomst (en ook nadien) getracht de topspelers die deel willen uitmaken van de nationale selectie en die aan de sportieve selectiecriteria daarvoor voldoen, onder wie de Spelers, te bewegen om het spelerscontract te ondertekenen en dus voor Yonex te kiezen. Bij een aantal junior topspelers die een individuele sponsorovereenkomst met Dunlop hadden is dat gelukt. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van Dunlop c.s. dat ook [A], die een individuele sponsorovereenkomst had met RSL, feitelijk voor Yonex heeft gekozen.

4.33. NBB heeft daarbij grote druk uitgeoefend. NBB heeft de topspelers voorgehouden dat degenen die niet voor Yonex zouden kiezen met grote negatieve gevolgen zouden worden geconfronteerd. Zo zouden die spelers geen deel meer mogen uitmaken van de nationale selectie en daarom niet meer mogen deelnemen aan landenteamtoernooien en aan bondstrainingen. De topspelers zouden verder, anders dan voorheen, hun reis- en verblijfkosten in verband met individuele internationale toernooien niet (of in mindere mate) vergoed krijgen en op die toernooien niet meer mogen spelen met een badmintonracket van de individuele sponsor.

4.34. NBB wist verder van meet af aan dat in het geval een topspeler met een individuele sponsorovereenkomst zou kiezen voor Yonex, dit onvermijdelijk tot gevolg zou hebben dat die speler zou tekortschieten in de nakoming van de verplichting jegens zijn individuele sponsor om elke wedstrijd en elk toernooi te spelen met een badmintonracket met het logo van het te promoten merk van die sponsor. De topspeler zou immers, zo volgde uit het aanvankelijk gevoerde beleid van NBB, na ondertekening van het spelerscontract zijn gehouden om op alle toernooien met kleding en materiaal van Yonex te spelen en die verplichting dan, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, ook zijn nagekomen.

4.35. NBB heeft met die wetenschap en, naar redelijkerwijs ook mag worden aangenomen, in het besef dat daardoor aanmerkelijk nadeel zou worden berokkend aan de topspelers en hun individuele sponsors, desondanks en deels met succes de hiervoor genoemde grote druk op de topspelers uitgeoefend om voor Yonex te kiezen. NBB heeft naar het oordeel van de rechtbank de topspelers dan ook aangezet tot het plegen van wanprestatie. NBB heeft daarmee en omdat dit handelen te wijten is aan zijn schuld, toerekenbaar onrechtmatig jegens hen en hun individuele sponsors gehandeld.

4.36. Dit oordeel geldt alleen voor die topspelers die op het moment dat hun individuele sponsorovereenkomsten werden gesloten (of verlengd) nog niet op de hoogte waren van het beleid van NBB in verband met de (te sluiten) Sponsorovereenkomst met Yonex. De topspelers die wel van het beleid van NBB op de hoogte waren op het moment dat zij individuele sponsorverplichtingen aangingen, kunnen immers door dat (al bekende) beleid van NBB niet zijn aangezet tot het plegen van wanprestatie ten aanzien van die nieuwe verplichtingen.

4.37. In deze zaak is niet in geschil dat de topspelers [eiser sub 3], [eiser sub 4], [eiseres sub 6] en [eisers sub 7], al individuele sponsorovereenkomsten hadden gesloten voordat het door NBB te voeren beleid bij hen bekend werd. NBB heeft dan ook jegens deze personen en hun individuele sponsors toerekenbaar onrechtmatig gehandeld. Dat ligt anders met betrekking tot [eiser sub 5]. [eiser sub 5] heeft in december 2009 een individuele sponsorovereenkomst gesloten en wist toen al, naar NBB onbetwist heeft gesteld, van het door NBB te voeren beleid.

4.38. NBB handelt nu nog altijd onrechtmatig jegens Dunlop (als sponsor van [eiser sub 3] en [eiser sub 4]), [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiseres sub 6], zij het, na versoepeling van zijn beleid, in mindere mate. [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiseres sub 6] mogen (indien in sportief opzicht daarvoor gekwalificeerd) weliswaar deelnemen aan landenteamtoernooien, maar NBB verbiedt hen nog steeds te spelen met een badmintonracket met het logo van het te promoten merk van de individuele sponsor. NBB zet die spelers daarmee nog steeds aan tot het plegen van wanprestatie jegens hun individuele sponsors.

4.39. [eisers sub 7] heeft voordat het beleid van NBB bekend werd een individuele sponsorovereenkomst gesloten. De looptijd van deze overeenkomst is in april 2011 verstreken. NBB handelt dus op dit moment niet meer onrechtmatig jegens [eisers sub 7] op de grond dat NBB [eisers sub 7] aanzet tot het plegen van wanprestatie. Voor zover [eisers sub 7] haar individuele sponsorovereenkomst met Dunlop heeft verlengd, geldt dat [eisers sub 7] op het moment van verlenging op de hoogte was van het beleid van NBB en NBB [eisers sub 7] dus met dat beleid niet heeft kunnen aanzetten tot wanprestatie ten aanzien van de verlengde sponsorverplichtingen.

4.40. De meer subsidiaire vordering onder I., eerste gedachtestreepje, is op grond van het voorgaande als volgt toewijsbaar. NBB zal worden veroordeeld om [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiseres sub 6] toe te staan om, indien en voor zover zij zich daarvoor in sportief opzicht kwalificeren, op landenteamtoernooien te spelen met een badmintonracket met het te promoten logo van hun individuele sponsor, zolang als hun huidige individuele sponsorovereenkomst (zonder verlenging) nog voortduurt, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom als in het dictum nader is vermeld. Voor een veroordeling die ook ziet op opheffing van de ten gevolge van het huidige beleid van NBB nog bestaande overige verschillen tussen de hiervoor genoemde groep spelers en de spelers die naar Yonex zijn overgestapt bestaat, zoals uit het hiernavolgende zal blijken, geen aanleiding. Een verbod om de Sponsorovereenkomst uit te voeren, zoals primair onder I. gevorderd, ontbeert een deugdelijke grondslag.

4.41. Dunlop c.s. vordert onder I., zowel subsidiair als meer subsidiair, tweede gedachtestreepje, om aan NBB een verbod op te leggen om de Spelers met individuele sponsorovereenkomsten anders te behandelen dan spelers die met materiaal van Yonex spelen. De verschillen in behandeling van beide groepen spelers zijn nog de volgende. De Spelers kunnen, anders dan de topspelers die een spelerscontract hebben ondertekend, geen deel meer uitmaken van de nationale selectie. De gevolgen hiervan in dit verband zijn volgens het huidige beleid van NBB dat NBB de reis- en verblijfkosten van de Spelers in verband met individuele internationale toernooien niet meer vergoedt (met uitzondering van maximaal 70% van de kosten in verband met de EK en de WK), dat de Spelers op toernooien niet dubbel of gemengd mogen spelen met een speler van de nationale selectie en dat de Spelers, in tegenstelling tot de spelers van de nationale selectie, elke zes maanden moeten verzoeken om aan bondstrainingen deel te kunnen nemen.

4.42. Dunlop c.s. heeft niet gesteld op welke grond NBB zou zijn verplicht de reis- en verblijfkosten van de Spelers in verband met de individuele internationale toernooien (volledig) te vergoeden. Het feit dat NBB die kosten tot 1 januari 2010 wel aan hen vergoedde noch het feit dat de kosten van de huidige spelers van de nationale selectie ook na 1 januari 2010 worden vergoed, brengen die verplichting zonder meer mee. De rechtbank wijst er hierbij op dat de spelers van de nationale selectie door het door hen gesloten spelerscontract andere rechten en verplichtingen hebben dan de Spelers die geen spelerscontract hebben gesloten. Daarom valt zonder toelichting niet in te zien dat de Spelers in dit opzicht op gelijke wijze zouden moeten worden behandeld als spelers van de nationale selectie. Verder is niet gebleken dat dit deel van het beleid van NBB naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.43. Voor het overige geldt dat Dunlop c.s. onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welk belang de Spelers hebben bij toewijzing van deze vordering. Het elke zes maanden moeten verzoeken om aan bondstrainingen te kunnen deelnemen houdt, zoals NBB heeft uitgelegd, uitsluitend een eenvoudige melding in, zodat NBB er rekening mee kan houden hoeveel spelers van de Spelers op de bondstrainingen zullen verschijnen. De Spelers zijn, in tegenstelling tot de spelers van de nationale selectie, niet verplicht om op de trainingen te verschijnen, zodat NBB om logistieke redenen moet weten of zij zullen verschijnen. Verder heeft Dunlop c.s. niet gesteld dat (een deel van) de Spelers concrete plannen heeft om dubbel of gemengd te spelen met een speler van de nationale selectie. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.

Schade
4.44. De Spelers vorderen veroordeling van NBB om aan hen de schade te vergoeden die zij hebben geleden doordat NBB (vanaf 1 januari 2010) niet langer hun reis en verblijfkosten in verband met individuele internationale toernooien (volledig) vergoedt. Deze vordering is, zoals uit het voorgaande volgt, niet toewijsbaar. Niet is gebleken dat NBB verplicht is die kosten te vergoeden.

4.45. Dunlop c.s. vordert veroordeling van NBB om aan Dunlop een schade van € 148.230,00 te vergoeden die Dunlop heeft geleden doordat NBB een aantal junior topspelers heeft aangezet tot het plegen van wanprestatie. Die spelers hebben door de grote druk van NBB voor Yonex gekozen, terwijl Dunlop nog hun individuele sponsor was. Dunlop c.s. stelt dat Dunlop in totaal € 49.410,00 aan materiaalkosten in de junior topspelers heeft geïnvesteerd en dat die investering door de overgang naar Yonex in één klap is teniet gegaan. Deze investeringskosten maal een factor 3, omdat de junior topspelers zich als seniorspelers niet zo snel meer door Dunlop zullen laten sponsoren, is volgens Dunlop c.s. de schade.

4.46. Dunlop c.s. noemt in de dagvaarding negen junior topspelers die, zo blijkt ook uit de dagvaarding, ieder een individuele sponsorovereenkomst met Dunlop hadden gesloten voordat het beleid van NBB bekend werd en die, naar onbetwist vaststaat, terwijl hun overeenkomst met Dunlop nog liep en ondanks het feit dat die niet tussentijds kon worden beëindigd, door het beleid van NBB en de daarmee gepaard gaande grote druk het spelerscontract hebben getekend en dus voor Yonex hebben gekozen. Deze negen spelers zijn, zo blijkt uit de dagvaarding, [B], [C], [D], [E], [F], [G], [H], [I] en [J].

4.47. Dunlop c.s. heeft de schadevordering evenwel gebaseerd op materiaalkosten van veertien spelers, zo blijkt uit een door haar overgelegd overzicht (productie 55 bij dagvaarding). Uit de stellingen van Dunlop c.s. blijkt echter niet dat de vijf naast de negen hiervoor met naam genoemde spelers ook een individuele sponsorovereenkomst met Dunlop hadden gesloten voordat het beleid van NBB bij hen bekend kon worden verondersteld. De rechtbank gaat daarom in dit kader uitsluitend uit van de hiervoor genoemde negen spelers. Met betrekking tot deze negen spelers geldt dan ook (zie hiervoor) dat NBB wegens het aanzetten tot het plegen van wanprestatie toerekenbaar onrechtmatig jegens Dunlop heeft gehandeld. De schade die Dunlop hierdoor heeft geleden, dient NBB te vergoeden. NBB zal dan ook worden veroordeeld tot vergoeding van die schade.

4.48. De schade bestaat uit de materiaalkosten die Dunlop, doordat de negen spelers tussentijds zijn overgestapt naar Yonex, tevergeefs heeft gemaakt. Uit het eerdergenoemd overzicht blijken die kosten niet. Het overzicht vermeldt, zo begrijpt de rechtbank, al het materiaal dat aan elke speler ter beschikking is gesteld waarbij de waarde van elk onderdeel van het materiaal, zoals NBB ook heeft aangevoerd, ten onrechte is gebaseerd op consumentenprijzen en niet op de kostprijzen. Verder is per speler niet duidelijk gemaakt welk deel van het ter beschikking gestelde materiaal (deels) is verbruikt toen de speler nog het merk (Carlton) van Dunlop promootte. De rechtbank is dan ook op basis van de beschikbare gegevens niet in staat om de schade te begroten en verwijst de zaak daarom naar de schadestaatprocedure. De rechtbank overweegt voorts reeds in dit kader dat voor vermenigvuldiging van de te vergoeden materiaalkosten met een factor 3 geen grond is. Dunlop c.s. heeft haar stelling dat de juniorspelers die naar Yonex zijn overgestapt zich (als seniorspeler) niet zo snel meer door Dunlop zullen laten sponsoren onvoldoende onderbouwd.

4.49. Dunlop c.s. vordert veroordeling van NBB om aan RSL een schade van € 15.000,00 te vergoeden die RSL heeft geleden doordat NBB [A] heeft aangezet tot het plegen van wanprestatie. Voor [A] geldt hetzelfde als voor de hiervoor genoemde negen junior topspelers. [A] is, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van Dunlop c.s., (feitelijk) tussentijds overgestapt naar Yonex. RSL heeft een overzicht van materiaalkosten tot een totaal van € 5.000,00 overgelegd (productie 55 bij dagvaarding). Ook in dit verband geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen over de materiaalkosten van Dunlop. De schade zal bij staat moeten worden opgemaakt.

4.50. Dunlop c.s. vordert veroordeling van NBB om aan Dunlop en RSL te vergoeden de door hen geleden en te lijden omzetschade, op te maken bij staat.

4.51. De rechtbank wijst deze vordering toe. NBB heeft, zoals uit het voorgaande blijkt, negen junior topspelers en [A] aangezet tot het plegen van wanprestatie. Deze spelers zijn overgestapt naar Yonex. Verder heeft NBB, zoals ook uit het voorgaande blijkt, de door Dunlop gesponsorde [eiser sub 3] en [eiser sub 4] door zijn beleid aangezet tot het plegen van wanprestatie en zet NBB die spelers nog steeds tot het plegen van wanprestatie aan. Die spelers mochten immers aanvankelijk op geen enkel toernooi spelen met een badmintonracket met het logo van het te promoten merk van de eigen sponsor en mogen dat nu nog steeds niet op landenteamtoernooien.

4.52. Volgens vaste rechtspraak is voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat voldoende als de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat is hier het geval. Doordat de negen junior topspelers en [A] zijn overgestapt naar Yonex is, zoals onbetwist vaststaat, de zichtbaarheid van Dunlop en RSL op de badmintonmarkt afgenomen en hebben Dunlop en RSL daardoor (mogelijk) omzetschade geleden. Verder was en is de zichtbaarheid van Dunlop op de badmintonmarkt door toedoen van NBB minder, doordat [eiser sub 3], [eiser sub 4] en (wat betreft de periode tot april 2011) [eisers sub 7] niet op alle toernooien mochten en, zolang ieders huidige individuele sponsorovereenkomst nog (zonder verlenging) voortduurt, nog steeds niet mogen spelen met een badmintonracket met het logo van het te promoten merk van Dunlop, zodat Dunlop in dit opzicht (mogelijk) ook omzetschade heeft geleden en nog lijdt.

4.53. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing
De rechtbank

5.1. veroordeelt NBB om [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiseres sub 6] toe te staan om, indien zij zich daarvoor in sportief opzicht kwalificeren, op landenteamtoernooien te spelen met een badmintonracket met het logo van het merk van hun individuele sponsor zolang als ieders huidige individuele sponsorovereenkomst (zonder verlenging) nog voortduurt,

5.2. veroordeelt NBB om aan [eiser sub 3], [eiser sub 4] respectievelijk [eiseres sub 6] een dwangsom van
€ 10.000,00 te betalen voor iedere keer dat NBB, na betekening van dit vonnis, niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling jegens [eiser sub 3], [eiser sub 4] respectievelijk [eiseres sub 6] voldoet,

5.3. veroordeelt NBB om aan Dunlop en RSL de schade te vergoeden die zij hebben geleden en nog lijden als gevolg van het aanzetten tot het plegen van wanprestatie, op te maken bij staat,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen, mr. G.V.M. Veldhoen en mr. L.A.C. de Vaan, bijgestaan door mr. H.G. van Soolingen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2011.
 
Bron: www.rechtspraak.nl

door

via Rechtspraak.nl

Schrijf je in voor de nieuwsbrief!

Je ontvangt enkele keren per jaar een speciale update!

vorig artikel

Reactie bondsbestuur Badminton Nederland

6 jaar geleden

volgend artikel

Winst voor dubbel Van Dooremalen/Jonathans

6 jaar geleden

Wat vind jij? Er zijn al 4 waarderingen!

Reacties

+

› lees onze huisregels

Meer nieuws